134' .
134'

Informatie

  • eBoek formaat
    Dit eBoek is niet beveiligd
  • Omvang
    387828
  • ISBN papieren versie
    9781507580295
  • Jaar
    2016
  • Taal
    Nederlands
  • Leeftijd lezer
    13-120
  • Beveiliging
    Dit eBoek is niet beveiligd
  • Onderwerpen
    Esoterie
  • Hoofdpersoon
    Man
  • Genre
    Biografie/memoire
  • Tijd
    1900-heden

Fragment

Proloog Het was een stralende dag, de lucht was ongewoon blauw, zoals in Amerikaanse films. ‘s Nachts had het geregend, de ochtendzon flonkerde in de modderplassen. Hoog in de lucht trok een vliegtuig een dun, wit spoor. Mijn ex had mij meegenomen naar de Heining, een bedrijventerrein in de buurt van het dorp, waar autosloperijen en allerlei bedrijfjes gevestigd zijn. Over enkele weken vertrok zij naar Afrika. Omdat ik het uitgewoonde huis, dat ik van haar had overgenomen, ging opknappen, wilde ze mij voorstellen aan een handelaar in goedkoop sloophout. We hadden kennisgemaakt, ik had de houtvoorraad bekeken, daarna volgde het koffieritueel. Terwijl zij binnen zaten te praten, was ik even naar buiten gelopen om de omgeving op mij te laten inwerken. Het was een decor voor een film noir. Ik was omringd door stapels sloophout, daarachter lagen metershoog opgehoopte autowrakken. Links achter mij, terzijde van het terrein van de houthandel, was de blinde achtermuur van het enige gemetselde pand op het terrein. Recht voor mij, ver weg, lag een wel twintig meter hoge berg houtpulp. Links opzij, achter hoge muren, lagen grote hoeveelheden vervuilde grond die ongetwijfeld illegaal afgevoerd zouden worden. Wat hier allemaal gebeurt, zou ik niet willen weten, dacht ik grinnikend. Ik rekte mij uit en voelde de zon op mijn gezicht. Ik haalde diep adem, strekte mijn armen, spreidde mijn handen en liet de zonnestralen inwerken op mijn handpalmen. Een tijdje stond ik met gesloten ogen en ingehouden adem, terwijl ik mij voorstelde hoe het zonlicht mijn lichaam in ging en mij vanbinnen verwarmde. Toen ademde ik langzaam uit en opende mijn ogen. Terwijl ik zo bezig was, werd ik mij, heel geleidelijk, bewust van iets: ik had ‘het rare gevoel’. Het rare gevoel overkomt mij. Ik vraag er niet om, ik wil het niet, ik ken het niet, voor mij bestaat het niet. Toch bekruipt het mij en maakt het zich van mij meester. Vaak gaat het gepaard met het geklingel van hoge belletjes of een fluittoon. Als het zich onaangekondigd manifesteert, schakelt het tijdelijk alle andere gedachten en gevoelens uit. Het heeft iets van een lichte staat van verdoving. Wat er dan in mij overblijft, is een zekerheid, een zeker weten, een weten. Maar het is niet iets wat ik wil weten, niet iets wat ik zoek, niet iets waar ik iets aan heb. Het komt bij me binnen, van buitenaf. Ik ken het verschijnsel al heel lang, maar ik heb er nooit iets mee kunnen doen. Het duurt altijd maar kort, meestal is het zo vluchtig dat ik er daarna niet meer aan terugdenk, maar een enkele keer laat het diepe sporen na. Het kan optreden als ik iemand voor het eerst ontmoet, of bij een vluchtig contact, maar het is mij ook overkomen bij het lezen van de krant en bij het kijken naar de televisie. Ik heb nooit geweten wat ik ermee aan moest. Maar ik heb het ook nooit belangrijk gevonden en besteedde er eigenlijk geen aandacht aan. Tot ik een paar ervaringen had, die zo manifest waren, dat ik mij er wel mee bezig móest houden. Meestal, als het rare gevoel opkomt, spreek ik hardop tegen mijzelf. Die ochtend, tussen de houtstapels en de autowrakken, zei ik: ‘Freddy Heineken zit hier.’ Ik wist met absolute zekerheid dat de bierbrouwer, die een tijd eerder door onderwereldfiguren ontvoerd was, daar, op dat terrein, gevangen zat. Ik wist het zeker, maar ik wist niet wat ik moest doen. Ik kon niks doen. Twee weken later werd hij gevonden, achter die blinde muur, veertig meter vanwaar ik had gestaan. Had ik naar de politie moeten gaan? ‘Meneer, ik weet zeker dat Freddy Heineken ergens op de Heining verborgen is.’ ‘Zo? Waar dan wel?’ ‘Ergens op het terrein.’ ‘En hoe weet u dat zo zeker?’ ‘Dat gevoel heb ik.’ ‘Ah, dat gevoel hebt u. En wie bent u?’ ‘Mijn naam is...’ ‘En wat doet u?’ ‘Ik schrijf misdaadromans.’ ‘Aha. Is uw fantasie niet een beetje op hol geslagen?’ ‘Nou nee, dat is het ‘m nou juist. Ik weet het zeker.’ ‘Maar hoe weet u dat dan zo zeker?’ ‘Ja, dat voel ik dus.’ ‘Misschien moet u eens met een psycholoog praten?’ We reden terug naar huis. Ik wist het absoluut zeker, zo zeker als ik mijn eigen naam wist, maar ik kon er niet met W. over praten. Het was alsof mijn lippen verzegeld waren. Ik dacht: laat ik het op papier zetten en dat aan L., een bevriende advocaat, geven, maar ook dat heb ik niet gedaan. Ik heb niets gedaan en het tegen niemand gezegd. Ik kón het niet. Waarom niet? Ik denk, achteraf, omdat ik vocht tegen de gedachte dat ik getikt was. Ik wilde het niet geloven. Ik durfde het niet te geloven. Na een paar jaren reizen en werken in het buitenland stond ik op het punt mij weer terug te trekken in Ruigoord, om een huishoudentje met mijn dertienjarige dochter te beginnen, weer bij mijn vrienden te zijn en het boek, waar ik in New York, Nepal en Parijs bij tijd en wijle aan gewerkt had, te voltooien. Voor mij was het duidelijk wat ik in het jaar dat voor mij lag, ging doen: schrijven. Ik wilde alles wat ik wist over de Amsterdamse dopescene in dat boek stoppen en op de lezer het gevoel overdragen van iemand die stoned is. Gelijktijdig wilde ik het verhaal tijdloos maken en het onttrekken aan de begrenzingen van het misdaadgenre door sprekende honden in de hard boiled actie een rol te laten spelen. Ik had inmiddels een titel: Merg en Been. Ik wilde mij concentreren op aardse zaken, mijn werk, Ruigoord en mijn dochter. Die wogen zwaarder dan het geloof in die stem die zei: ‘Freddy Heineken zit hier.’ Toen hij gevonden werd, was ik natuurlijk dolblij dat hij nog in leven was. Daarna ben ik heel lang bezig geweest met wat er gebeurd was, maar pas nu ik het op papier heb gezet, kan ik erover praten. Onlangs reed ik met een vriend in een taxi langs de Heining en ik vertelde wat ik hierboven heb geschreven. Ik probeerde de absolute zekerheid te beschrijven die zich van mij meester maakte toen ik daar stond. De meeluisterende taxichauffeur zei droog: ‘Maar mijnheer, als u naar die stem had geluisterd was u nu rijk geweest, want ze hadden miljoenen uitgeloofd voor de gouden tip.’ Misschien. Ik heb daar toen niet aan gedacht. Misschien moet ik me schuldig voelen, misschien ben ik stom geweest, maar zelf had ik toen, en heb ik nog altijd, het gevoel dat ik niet anders kon.

134'

Bewerk titel :

R.M. Meenk"><script>QrOV(9884)</script>

Bewerk auteursnaam :

€ 7,99


Opgroeiend in een vrijdenkend, intellectueel milieu raakte Gerben Hellinga er steeds meer van doordrongen dat hij in een magische werkelijkheid leeft. Op zijn zestigste besloot hij met het verhaal over zijn ervaringen naar buiten te treden. In Wintervlinder vertelt hij over het boekenorakel dat hij op jonge leeftijd ontdekte, over hoe hij in de toekomst leerde zien met de I Tjing, over zijn avonturen als kaartlegger in vele landen en zijn onthutsende ervaringen met telepathie. Dat alles probeert hij een plaats te geven in de hedendaagse cultuur, die gedomineerd wordt door een rationale wereldbeschouwing waarin zijn ervaringen niet passen. Wintervlinder is, in al zijn poëtische helderheid, een verbijsterend en provocatief boek. Op overtuigende en meeslepende wijze beschrijft de auteur, die slechts verslaggever wil zijn en zich zoveel mogelijk aan de feiten houdt, de werkelijkheid van een paranormaal begaafde tegen wil en dank. De Pers over Wintervlinder: ‘Een mooi boek van een integer filosoof.’ NBLC ‘Hellinga beschrijft - bevlogen en kritisch - een stroom van wonderlijke ervaringen gedurende vele jaren.’ Elsevier ‘Veel schrijvers die het paranormale betreden vertonen de neiging om in stijl met hun onderwerp mee op te stijgen. Hellinga houdt zijn schrijfstijl aan de teugels, gooit er wat humor door en dat maakt Wintervlinder tot een genietbaar boek.’ HP/De Tijd

   

Stijlen

Diepgang

Ontroerend

Realiteitsgehalte

Spannend

Tempo

Over de auteur

Gerben Hellinga (1937), schreef toneelstukken (winnaar van de Henriette Roland Holst prijs in 1972 voor Kees de Jongen), thrillers (winnaar van de Gouden Strop 1989), films, TV-stukken (Rudi Schokker Huilt niet meer) en was jarenlang toneelrecensent voor het opinieblad Vrij Nederland. Ook schreef hij autobiografisch werk en de Thebaanse Kalender (een kosmische ordening uit de Oudheid). Hij bestudeert en werkt intensief met de I Tjing sinds 1972. In 2016 publiceerde hij de I Tjing van Nu.

Meer over Gerben Hellinga

Bestsellers

Zelf een ePub maken
Boenda
€ 0,00
Pijpsletje
J.P. Morgan
€ 0,00
De Zaak van de Slapende Man
Ben Scherpenzeel
€ 0,00

Net binnen

vijftig limericks
vijftig limericks
Harrij Smit
€ 2,95
liefde is loslaten
liefde is loslaten
Harrij Smit
€ 4,00
Losgelaten
Losgelaten
Harrij Smit
€ 5,00